Op de morgen van 27 september 1953 werd in een klein vissersdorp aan de westkust van Kerala, in Zuid-India, een meisje geboren. Ze kwam met een glimlach op haar gezicht ter wereld in plaats van met gehuil zoals de meeste baby's. Dit was een voorbode van de vreugde en gelukzaligheid die ze spoedig aan de wereld zou brengen.

Haar ouders gaven haar de naam Sudhamani, hetgeen zuiver juweel betekent. Sudhamani was een ongewoon kind, dat vanaf de geboorte al veel tekens van goddelijkheid vertoonde. Overgave aan God maakte deel uit van haar natuur. Zelfs als klein kind kon men Sudhamani vaak in diepe meditatie verzonken vinden. Al vanaf haar vijfde jaar begon ze liederen voor Krishna te bedenken, die vol spirituele inzichten waren. Haar hart en ziel stroomden over in deze melodieën, waarbij ze zichzelf vergat, en haar betoverende stem werd een bron van grote vreugde voor de dorpsbewoners.

Toen Sudhamani nog maar 9 jaren oud was, werd haar moeder ziek. Sudhamani kreeg toen alle verantwoordelijkheid voor het huishouden inclusief het koken. Het kleine meisje, dat een goede leerlinge was geweest, was gedwongen de school te verlaten. Sudhamani zorgde voor haar broers en zussen, haar ouders en de koeien.

 

Ze deed al dit zware werk zonder enig teken van wrevel. Integendeel, vol vreugde offerde ze ieder moment van haar lange werkdag aan God. Ze accepteerde elke hindernis, ook de slechte behandeling door haar familieleden, die haar gedrag niet als goddelijk herkenden en zich eraan ergerden. Zij zagen niet in dat Sudhamani's kwaliteiten bijzonder waren en haar devotie haar manier was om dichter bij God te komen.

De ononderbroken ervaring van de aanwezigheid van haar geliefde Krishna was haar enige troost en houvast. Wanneer haar werkdag om middernacht eindigde, sliep Sudhamani niet, maar bracht ze de nacht door in meditatie en met zingen en bidden tot God.

Een andere eigenschap, die Sudhamani vanaf haar vroegste jeugd vertoonde, was haar liefde en haar mededogen voor de medemens. Als deel van haar huishoudelijke plichten ging Sudhamani vaak naar de huizen in de buurt om voer voor de koeien te verzamelen. Daar hoorde ze geduldig de vele zorgen van de buren aan. Vooral de oudere mensen vertelden haar vaak hoe hun kinderen en kleinkinderen hen verwaarloosden en slecht behandelden. Door deze verhalen begreep Sudhamani dat de wereldse liefde op egoïstische motieven kan berusten en dat deze onstandvastig en begrensd kan zijn. Ze ontdekte dat uiteindelijk de enige echte band van elke mens met God is, want Zijn Liefde is er altijd, stroomt ononderbroken en stelt geen voorwaarden.

Doordat Sudhamani aldus getuige was van wreedheid en egoïsme en de daaruit voortvloeiende pijn en lijden, groeiden haar Liefde en verlangen naar God zo mogelijk nog meer. Haar zoeken naar God kreeg nu een andere dimensie aangewakkerd door haar verlangen haar medemens van hun zorgen en pijn bevrijden.

Hoewel nog slechts een kind, deed Sudhamani alles wat ze kon om het lijden van oudere mensen uit de buurt te verlichten. Ze baadde hen, waste hun kleding en bracht voor hen eten van thuis mee. Ook nam ze geld en sieraden uit haar huis om de allerarmsten te helpen. Dit bracht Sudhamani vaak in grote moeilijkheden. Soms werd ze daarom geslagen. Geen straf kon echter verhinderen dat haar aangeboren mededogen verder opbloeide. Toen Sudhamani een jonge vrouw werd, werd haar Liefde voor God onbeschrijfelijk intensief.

Haar extatische stemmingen namen toe. Vaak danste en zong ze in gelukzaligheid. Goddronken vergat ze dan de wereld om zich heen. Spoedig verschenen aan haar visioenen van Krishna. Ze zag zijn levendige vorm in alles om zich heen. In de ogen van Sudhamani was het hele universum van Krishna en van Krishna alleen doordrongen. Later beleefde ze een diepgaande mystieke eenheid met het bestaan. Een eenheid, die zó omvattend was, dat ze niet langer tussen Krishna en haar eigen Zelf onderscheid kon maken.