Amma weet als geen ander oude oosterse wijsheid te vertalen naar de hedendaagse situatie. Vele mensen uit de hele wereld raken er door geïnspireerd. Hieronderl volgt nu een selectie uit een interview dat Amma in 1997 aan Linda Johnson in het 'Yoga Journal' gaf:

Vraag: De meeste spirituele zoekers in het westen zijn geen sannyasins (monniken), maar hebben een gezinsleven en waarderen hun familie, hun thuis en de buurt. Kan dit een vorm van een spirituele weg zijn?

Amma: Het is zeker mogelijk een gezin te hebben en God te verwezenlijken. De voorwaarde is om zonder gehechtheid te handelen en alles aan Gods voeten te leggen. Wie met zijn familie leeft, zou dit steeds moeten erkennen: 'Alles is van God, niets is van mij. Alleen God is mijn echte vader, mijn echte moeder, mijn echte familie en vriend.' Zo’n houding van overgave en van afstand doen ontstaat niet vanzelf, hiervoor is een lange, ononderbroken oefening nodig.

Amma raadt de mensen aan niet voor het leven weg te lopen. Dat is lafhartig. Ze moeten hun plicht doen, zo goed als ze kunnen. Wie voor het leven wegloopt, is niet geschikt als geestelijk zoeker. Daarom liet Krishna in de Bhagavad Gita Arjuna niet van het slagveld gaan. Het leven is op zichzelf een slagveld en het gevecht kun je niet ontlopen. Iemand kan in de Himalaya naar een eenzaam bos of een ashram vluchten, maar het leven zal hem achtervolgen. Daarom moet een verstandig mens zijn gezond verstand gebruiken en zijn zaken de nodige aandacht geven. Op een wijze manier leven betekent een spirituele basis hebben. Vergeet niet dat het onze plicht tegenover God is de lijdende mens medeleven te tonen. De spirituele zoektocht begint met onbaatzuchtige dienstbaarheid aan de wereld. De mensen zullen teleurgesteld zijn, als ze gaan zitten voor meditatie en dan verwachten dat hun derde oog opengaat zodra de andere twee dicht zijn. We moeten niet de ogen dichtdoen voor de wereld en geloven dat we zo zullen groeien. Het doel van spiritualiteit is de eenheid te zien als men de wereld met geopende ogen bekijkt.

In het Westen is het idee van afstand doen niet zeer geliefd. Men vergeet dat de dood elk moment kan komen en alles van ons, zelfs ons lichaam, kan afnemen. In de yogatraditie oefenen we het ongebonden zijn, zodat we de dood zonder angst en spijt tegemoet kunnen treden. Zo’n spirituele discipline helpt ons op deze onvermijdelijke overgang voorbereid te zijn.

Sannyasins, die alles opgegeven hebben, weiden hun hele leven, uiterlijk en innerlijk, aan het beste voor de wereld. Grihasthashrami's leiden uiterlijk een gezinsleven, maar innerlijk een leven van een sannyasin. Het zal hun misschien niet makkelijk vallen van alle dingen afstand te doen, maar ze moeten proberen het gemoed te kalmeren. Als men een gezinsleven leidt, raakt het gemoedsleven vaak uit evenwicht omdat er van alle kanten problemen naar je toekomen. Het is echter niet onmogelijk innerlijke stilte te bereiken. De meesten van onze oude meesters hadden een gezin. Ze waren mensen als wij. Als het hun gelukt is, kunnen wij het ook. Die kracht hebben wij ook. Een grihasthashrami moet als een vogel zijn die op een zwakke tak zit. De vogel weet dat de tak elk moment afbreken kan en is bereid elke seconde weg te vliegen. Een grihasthashrami moet niet vergeten dat menselijke relaties begrensd zijn in de tijd en elk moment kunnen stoppen. Hij moet in het vaste geloof zo handelen, alsof zijn taak hem door God voor een beperkte tijd is toevertrouwd. Als een trouwe dienaar moet hij in staat zijn alles te doen zonder te menen dat iets van hem is. Hij moet in de wereld zijn plicht doen, maar dan als sadhana, als vorm van spirituele oefening. Men moet met het Zelf, de ware aard van het leven, verbonden blijven. Men moet de gevangenschap als zodanig erkennen en begrijpen dat het niet het echte thuis is. De objecten, waaraan men gehecht is, zijn geen sieraad maar kettingen. Men waant zich vrij, maar voordat men de vrijheid van de geest zelf ervaren heeft, kan men eigenlijk niet weten wat moksha, vrijheid, is.

Vraag: Veel oprechte zoekers in het westen worden wantrouwig van guru’s die een bepaalde moraal prediken, maar deze niet in de praktijk brengen. De meeste leraren in India benadrukken echter de noodzakelijkheid van een guru. Hoe kunnen wij ooit weer een guru vertrouwen?

Amma: Als iemand probeert zijn principes en opvattingen op te leggen, dan is hij geen echte meester. Ook al beweert hij God verwezenlijkt te hebben. Een echte meester verlangt niets. Het is voor hem hetzelfde of men zich aan hem overgeeft of niet.

Een Satguru zal voor zijn leerling altijd een voorbeeld zijn. Als de guru zegt: 'Zie, ik ben voorbij aan alles, daarom kan ik doen wat ik wil, maar jullie moeten handelen zoals ik het jullie zeg', zal het de leerling schaden. Een echte meester zal zich niet op zo’n manier gedragen. Ook als de guru voorbij het lichaamsbewustzijn is, zijn zijn leerlingen dat niet. Zij identificeren zich met het lichaam en met het ego en hebben daarom een levend voorbeeld nodig dat ze kunnen volgen. Een echte meester hecht daarom grote waarde aan moraal en ethiek.

In deze wereld zijn er zowel goede als slechte artsen te vinden. Is het verstandig om alle artsen af te wijzen, omdat de laatste die we bezochten, ons niet kon helpen? Als we ziek worden en weigeren een andere arts te consulteren, hoe kunnen we dan genezen? Er zijn echte guru’s, maar men moet ze aan hun diepe nederigheid en hun bereidheid te dienen meten, niet aan de schoonheid van hun redevoering of aan het aantal door hen verrichte wonderen.

Zoals u al opmerkte, werden in het verleden veel oprechte Godzoekers diep gekwetst. Deze wonden kunnen alleen door de ontmoeting met een leraar genezen worden die echt in puur bewustzijn verankerd is. Het maakt niet uit of men hem vertrouwt. Het is wezenlijk om in hun aanwezigheid te zijn. Zulke hoogontwikkelde zielen waren er altijd, en zullen er altijd zijn. Ze zijn als de oneindige ruimte of de grenzenloze hemel. Ze zijn niemand iets verschuldigd.